LOUT BEGELEID ISM PIETER VAN EVERT STUDENTEN-PROJECT ARTEZ “MAAKBAAR-HEID VAN NEDERLAND”
Politiek stroming VVD:
Jorrit Hulshof,Dominic Dirkse, Rick van Vorselen
NEDERLAND DE ECONOMISCHE AORTA VAN TOEKOMSTIG EUROPA
Invulling van de Ruimtelijke
Ordening van Nederland en de Cool Region
Het Nederland waar wij in leven is al tijden
een land om jaloers op te zijn. We zijn een gezonde, gelukkige en welvarende natie.
Ondanks een strak beleid aan regels lijkt de tolerantie en de vrijheid hier af en
toe oneindig. Als je kijkt naar wat we qua oppervlakte of inwonersaantal voorstellen
in de wereld, is het eigenlijk te mooi om waar te zijn. Hoe kan zo’n klein land als
Nederland zoveel bereikt hebben, dat we in Europa en de rest van de wereld als draagkrachtig
voorbeeld kunnen worden gezien?
Het antwoord zal vast niet eenkennig zijn, maar een
van de belangrijkste facetten is ongetwijfeld onze economie. Met geld kun je niet
alles bereiken, maar wel een heleboel, en we mogen wel constateren dat dit zeker
geld voor het succes van Nederland in de internationale samenleving. Een goede economie
is een onvermijdbare drager in het opzetten van een succesvol land. Economie, daar
is iedereen bij gebaat. Economie lijkt in de rood-groen discussie, waarin we vaak
economie tegen ecologie uitzetten, een ontzettend rechts woord. Dat is onzin. Economie
en groen kunnen heel goed door één deur. Volgens ons zó goed, dat economie de leidraad
moet kunnen zijn in het inrichten van Nederland, zonder dat de ecologie onder hoeft
te leiden. We hopen jullie hier van te kunnen gaan overtuigen.
Wat houdt de Nederlandse
economie in?
Nederland is een welvarend land, met een klein oppervlak en een relatief
laag inwonersaantal. Onze economie bestaat voor het overgrote deel (64%) uit dienstverlening
en export. Daarnaast betreft 29% industrie, en 4% landbouw. Dit zijn percentages
waarin onze beroepsbevolking actief is. Toch betreft het grootste deel van het grondoppervlak
met betrekking tot deze economische facetten, de landbouw. Ons land is bedreven in
intensieve, gemechaniseerde land- en tuinbouw, waardoor er enorme hoeveelheden aan
voedsel en bloemen en planten wordt geproduceerd. Veel meer dan voor onze eigen behoefte
nodig is. In de Nederlandse industrie geldt voedselverwerking om die reden dan ook,
samen met de fabricage van elektrische apparaten, chemische verwerking en olieraffinage
als belangrijkste industriële activiteiten. Ook voor al deze industriële processen
geldt, net als voor landbouw, dat we vele malen meer produceren dan aan onze eigen
behoefte over is.
En dat is waar die laatste sector, dienstverlening, om de hoek komt
kijken. Qua nationale begrippen mogen we zeggen dat de randstad zich kenmerkt om
de hoge factor dienstverlening die er bedreven wordt. Maar in feite komt die 64%
van de beroepsbevolking die actief is in de dienstverlening, voor het overgrote deel
voort uit de import en export van goederen, waaronder dus die enorme overschotten
uit onze landbouw en industrie.
Nu zou je zeggen, onze eigen overschot verhandelen
aan anderen, dat is toch voornamelijk export? Ja dat klopt, maar ook import levert
een enorme bijdrage aan de economie van Nederland. Hierbij spelen onze mainports
Schiphol, en met name de Rotterdamse haven, een cruciale rol. De Rotterdamse haven
is al tijden de grootste van Europa, dan wel de wereld. De grootschaligheid waarmee
hier de bedrijvigheid van het importeren van goederen wordt uitgeoefend, maakt dat
het nog altijd de goedkoopste manier is voor andere Europese landen, om hun producten
die elders in de wereld zijn gefabriceerd, via Nederland naar hen toe te halen.
Dit
zijn de belangrijkste verklaringen wat betreft het heden. Volgens ons is het van
uiterst belang dat we ook in de toekomst onze sterke economie op dit niveau kunnen
houden. Om dit te doen, moten we correct reageren op eventuele aankomende veranderingen,
en bovendien de bestaande structuren handhaven en verbeteren.
Op Europese schaal
Nederland
is als exportland dus enorm afhankelijk van de handelslijnen met de rest van Europa.
Anderszijds mogen we ook stellen dat Nederland voor anderen een belangrijke rol speelt
als Europese transportader. Om dit te blijven, is het van cruciaal belang dat we
deze belangrijke transportader niet verliezen. Als eerste bekijken we hoe deze ader
momenteel in elkaar zit.
Kernpunt op Nederlandse bodem is natuurlijk Rotterdam. De
haven, veel meer dan Schiphol in Amsterdam, is de Europese poort voor goederen vanuit
de hele wereld. De concentratie van werkzaamheden rondom de haven in Rotterdam is
enorm. Als we kijken naar import, waarvan het meeste bedoeld is om later weer te
exporteren naar de rest van Europa, zien we dat producten die binnenkomen in de Rotterdamse
haven, daar worden opgeslagen. Ze worden eveneens in Rotterdam gesorteerd, gecontroleerd,
herverpakt en in veel gevallen zelfs verpacht. Pas daarna worden ze klaargestoomd
voor distributie, waarna ze via vrachtwagens over het fijnmazige, niet al te snelle,
drukke en smalle Nederlandse wegennet naar alle richtingen van Europa worden vervoerd.
Enkele producten gaan per spoor de grens over, maar de overgrote meerderheid gaat
over asfalt. In dit huidige proces van grootschalige distributie, is het Nederlandse
wegennetwerk de absolute bottleneck. De afgelopen jaren hebben we verscheidene keren
upgrades doorgevoerd in de vorm van extra rijbanen of knooppunten. Zeker is, dat
dit soort uitbreidingen aan ons wegennetwerk in de toekomst niet kunnen blijven plaatsvinden.
Om het probleem op grotere, Europese schaal op te lossen, moeten we radicaler denken.
Nieuwe snelwegen toevoegen, en belangrijke vervoersstromen optimaliseren in rechtlijne
vervoersroutes. We moeten de haven van Rotterdam als het ware dieper Europa intrekken,
en dat trage fijnmazige Nederlandse netwerk opwaarderen tot een distributielijn die
waardig genoeg is om heel Europa goederen aan te voeren.
De Rotterdamse haven is natuurlijk
een pareltje voor onze economie. Andere soortgelijke mainports, zoals de havens van
Antwerpen en Hamburg, bedwingen slechts een schijntje van de capaciteit van Rotterdam.
Ook nu blijkt deze waarde nog altijd aanwezig. Voor jaren terug zijn we begonnen
met het exploiteren van onze handel door fabrieken in lagelonenlanden in onder meer
Oost Europa te plaatsen. Nu plukken we daar langzaamaan wederom vruchten van. Deze
landen hebben in de loop der tijd hun economie dermate ontwikkeld, dat de koopkracht
onder de burgers enorm is toegenomen. Ook zij zijn nu in staat om zich te voorzien
van luxeartikelen die over de hele wereld geproduceert worden. En zelfs voor de achterban
van Europa blijkt het alsnog het voordeligst te zijn om hun handelswaar via de haven
van Rotterdam in te laten voeren.
Wél een mogelijk steeds grotere concurrent van Rotterdam,
is de luchthaven van Frankfurt. Eerder vermeldden wij al dat Schiphol als mainport
van ondergeschikte waarde is als het gaat om import en export. Schiphol, net als
zo veel luchthavens, richt zich voornamelijk op tourisme en menselijk transport.
Eveneens belangrijk, maar niet in de import en export sector. Frankfurt is echter
een echte handelsluchthaven. Behalve veel mensentransport, veelal mensen die overstappen
gezien de centrale ligging van Frankfurt in Europa, werd er in Frankfurt de afgelopen
jaren ruim 2 miljard ton goederen en een kleine 100.000 ton luchtpost per jaar gedistributeerd.
Het is daarmee de grootste handelsluchthaven van West-Europa.
Een recente ontwikkeling
die we hebben gezien, is het stokken van de betuwelijn. De betuwelijn is, geheel
passend in onze visie tot nu toe, een strakke lineaire handelslijn van Rotterdam
naar het Ruhrgebied, bedoeld als stokpaardje om de economische relatie tussen Nederland
en Duitsland te verbeteren. Nu de economie in zijn algemeenheid echter stokt, zien
we dat Duitsland het zogenaamde partnerschap even op pauze zet, ten faveure van de
eigen handelswegen. Zij bouwen de betuwelijn nog even niet af, of in deze economisch
zware tijden de haven van Hamburg, op nationale schaal een belangrijke economische
drijfveer voor Duitsland, niet buiten spel te zetten.
Dergelijke ontwikkelingen kunnen
op de langere termijn natuurlijk schade veroorzaken in onze eigen economie. Zodra
de huidige malaise is gaan liggen, moet het betuwelijn-plan direct voltooid worden,
om het daarna nooit meer te laten vastlopen. Dat ligt echter in Duitse handen. Het
enige wat wij kunnen doen, is een toekomstige situatie schetsen die zo aantrekkelijk
is, dat onze internationale handelslijn altijd de voorkeur zal krijgen boven enkele
nationale belanghebbende partijen.
De mogelijkheden liggen volgens ons tussen Rotterdam
en Frankfurt in, en wel in en rondom het Ruhrgebied. Het Ruhrgebied is een groot
industrieel landschap. Door verschuivingen in de Duitse en de Europese economie,
is de behoefte aan industrieel landschap afgenomen. Gevolg is dat het Ruhrgebied
tot op bepaald niveau leegloopt. De huidige tendens waarin bepaalde functies binnen
het Ruhrgbied totaal herbestemd wordt, zegt genoeg. Het Ruhrgbied smacht naar meer
industrie, danwel een andere economische functie die de huidige industrie weer meer
betekenis geeft.
Aan de andere kant van de medaille zien we Rotterdam. De stad Rotterdam
staat op knappen. Er is een woningtekort dat zover is opgelopen, dat de wachttijd
voor een huurwoning ruim elf jaar is. Er is bovendien een zwaar tekort aan woningen
in het duurdere segment, onder meer door de enorm hoge grondprijs. En de stad is
gewoon vol. Een van die redenen is de Rotterdamse haven, en alles wat daarbij komt
kijken. De eerder genoemde functies als opslag, sorteren, controleren, verpakken,
verhandelen en distributeren, nemen allen grote oppervlaktes van de schaarse grondoppervlakte
in.
Volgens ons moeten bepaalde functies verplaatst worden van Rotterdam naar het
Ruhrgbied. Een snelle, directe distributielijn tussen Rotterdam en het Ruhrgbied
maakt dat we goederen die in Rotterdam binnenkomen op grootschalig niveau naar het
Ruhrgbied kunnen verplaatsen. Hier vind vervolgens de opslag van goederen plaats.
Hier worden ook de goederen uitgesorteerd en gecontroleerd, om vervolgens vanuit
dit, veel meer centrale punt, over de rest van Europa te worden verspreid. Dat bedoelen
we met het naar binnen trekken van de Rotterdamse haven. Op die manier wordt de stad
Rotterdam ontlast, waardoor daar ruimte vrijkomt waar andere functies van de stad
om staan te springen. Het Ruhrgebied leeft weer, maar in één belangrijke ader met
Rotterdam, waardoor deze niet meer buitengesloten hoeft te worden ten faveure van
bijvoorbeeld Hamburg. Het trage, Nederlandse netwerk wordt grotendeels overgeslagen
in de route van producten van Rotterdam naar de achterban van Europa. In plaats daarvan
loopt er één harde, zuivere, snelle distributielijn van Rotterdam naar een veel centraler
punt in Europa. Een lijn bovendien waar de export van overproductie uit de industrie
en landbouw van Nederland mooi op aan kan haken.
Van de andere kant af gezien geldt
dit verhaal in mindere mate ook voor Frankfurt. Ook Frankfurt kan haar stad ontlasten
door verschillende functies te herschikken in bijvoorbeeld het Ruhrgebied. Groot
verschil met Rotterdam is natuurlijk de centrale ligging van Frankfurt in Europa,
maar met het Ruhr in het achterhoofd als nieuw epicentrum van waar uit de verspreiding
van goederen naar Europa plaatsvind, kan Frankfurt mooi op dat succes meevaren.
Uiteraard
moeten we ervoor waken dat we onze economie niet voor een groot deel overdoen aan
Duitsland. Ook moet Rotterdam niet leeglopen doordat er teveel functies uit de havenstad
verdwijnen. Nog steeds zal er sprake blijven van een Rotterdamse mainport. In beperkte
mate zullen bepaalde goederen, bedoeld voor ons eigen verbruik, of distributie naar
bijvoorbeeld België of een ander gebied dat geen baat heeft bij de lijn Rotterdam
– Ruhrgebied, nog gewoon in Rotterdam opgeslagen en verwerkt worden. Ook tussen Rotterdam
en het Ruhr liggen nog heel wat kilometers die door Nederland ingevuld kan worden.
Het aanhaken van Nederlandse productie op deze snelle distributielijn zorgt voor
heel wat werkgelegenheid langs deze knooppunten. Bovendien hoeft het Ruhrgebied niet
voor alles wat richting Oosten vertrekt het doel te zijn. Gebieden als Zwijndrecht,
Gorinchem, Nieuwegein, Tiel, Wageningen of het knooppunt Arnhem – Nijmegen kunnen
een belangrijke rol spelen al liggend op de distributielijn, en hier kan in feite
op kleinere schaal dezelfde functie gecreëerd worden als in het Ruhrgebied is gedaan.
Sterker nog, in de loop der tijd kan aan een hypermoderne super-as, wat deze lijn
op den duur kan gaan worden, vrijwel het overgrote deel van de gehele Nederlandse
economie opgehangen worden. Dit moet echter op nationaal schaalniveau bekeken worden.
Op nationale schaal
Dwars horizontaal door ons land hebben dus gekozen om onze belangrijkste
economische ader te laten lopen. Dit is de snelste weg van Rotterdam naar Duitsland,
ons meest centraal gelegen buurland voor wat betreft de connectie met de rest van
Europa. De zuidvleugel van de randstad en het knooppunt Arnhem – Nijmegen worden
dus de twee vooraanstaande huidige economische kerngebieden voor wat betreft de import
en export langs deze as. De andere economische kerngebieden moeten qua infrastructuur
goed worden aangesloten op deze as.
Op den duur zal het huidige aangeboden programma
aan economische kerngebieden echter een transformatie ondergaan. Met het steeds belangrijker
worden van de nieuwe super-as door midden-Nederland, zullen de economische kerngebieden
in de buurt van deze as spectaculair gaan groeien. Wanneer deze as namelijk het draagpunt
van de economie is wat betreft export, ook die uit de landbouw- en industriesectoren,
zullen alle bedrijven in relatie tot deze sectoren, op den duur op niet al te verre
afstand van deze as willen zitten. In een efficiënt systeem van goederenvervoer langs
ene hoofdas geldt dat elke functie die gebaat is bij de voorzieningen van deze as,
meer verliezen zal leiden naarmate hij verder weg van de as gevestigd is. De functies
landbouw en industrie hebben grote grondoppervlakten, respectievelijk efficiënte
bedrijventerreinen en fabrieken nodig. De directe aanleg hiervan zorgt voor een hoge
graad van verstedelijking, en deze zal zich dus vermoedelijk langs de super-as ontwikkelen.
Op
de langere termijn mogen we dus zeggen dat het zwaartepunt van de economie, en indirect
dus van de verstedelijking, af zal gaan buigen van de Randstad, naar het gebied rondom
de super-as. Dit betekent eveneens, dat verstedelijking verder af zal nemen, naarmate
de afstand tot de as groter wordt. Gebieden als Groningen en Maastricht zullen dus
op den duur geen actieve bijdrage meer leveren aan de economie gebaseerd op export.
In deze gebieden ontstaan met name culturele steden, dragers voor de locale dienstverlenende
functies, en inspringend op de behoefte aan faciliteiten die tourisme, ontspanning
en leisure ondersteunen. Dit zijn de functies die de nadruk zullen leggen op de gebieden
Noord-Nederland en Zuid-Nederland, nadat de economische rode draad zich in het midden
van het land heeft geconcentreerd.
De recentere cijfers zeggen ons dat deze nijging
tot steeds meer verstedelijking op gebied van woonfuncties helemaal niet nodig is.
Nederland zal tot 2030 namelijk veel minder in bevolksaantallen toenemen dan altijd
werd aangenomen. In 2035 zullen we op de max. Van ongeveer 17,7 miljoen inwoners
zitten, en hierna zullen we zelfs weer dalen. Dat komt doordat over 15 tot 20 jaar
de vergrijzing weer zal gaan afnemen. Dat houdt wel in dat de beroepsbevolking licht
zal gaan stijgen. Wat uit onderzoek eveneens naar voren is gekomen, en wat ook in
de huidige Nota Ruimte is opgenomen, is dat er veel behoefte is naar nieuwe bedrijventerreinen.
Tot 2020 staat er gepland om 23.000 hectare nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen,
ruimschoots 20% van het totale aantal hectare bedrijventerreinen in Nederland. Deze
23.000 hectare worden nog eens aangevuld met de enorme oppervlakte aan landerijen
en fabrieken, die we elders uit het land willen weghalen, om ze opnieuw te plaatsen
direct aan onze super-as. Dit samen leidt onherroepelijk tot een behoorlijke verstedelijking
in het gebied rondom de super-as. Zelfs als fabrieken efficiënt naast elkaar zijn
geplaatst, en grote oppervlaktes landbouw zijn afgenomen door grootschalige intensivering
van die landbouw, moeten we rekening houden met een bijzonder stedelijke omgeving
over de gehele lengte van de super-as.
Nadat de economische functies, die zijn gekoppeld
aan de super-as, voor een aanzienlijk deel zijn weggehaald uit de steden die niet
aan de as zijn gesitueerd, zal in deze steden echter niet heel veel sprake zijn van
inkrimping. De stad kan zich herstructureren met de ruimte die is ontstaan. Het kan
broodnodige woningsegmenten aanleggen, of meer groen in de stad aanbrengen waar het
vaak aan ontbreekt, zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Wageningen. Uiteindelijk
zullen tekorten binnen de steden worden aangevuld, en de openbare ruimte worden verbeterd.
Een stad kan zich profileren in een richting die niet direct aan de economie is gekoppeld.
Wellicht zullen er een soort themasteden ontstaan, zoals studentensteden, kunststeden,
milieusteden, multiculturele steden etc. De grootschalige verstedelijking in de buurt
van de as, zorgt dus niet direct voor inkrimpen van de verstedelijking elders. Ook
het plaatselijk platteland en de dorpen zullen zich moeten ontwikkelen. Om leegtrekken
van dit soort gebieden, zoals dat vandaag de dag in bijvoorbeeld de Achterhoek gebeurt,
te voorkomen, dienen deze gebieden hun faciliteiten en functies uit te breiden. Dit
kan, op kleinere schaal, op dezelfde manier als waarop zich dit in de steden manifesteert,
namelijk middels het herstructureren van vrij gekomen ruimte. Dorpen hebben daarnaast
de mogelijkheid iets uit te groei.
De route van de nieuwe super-as dient zorgvuldig
te worden gekozen. Direct aangrijppunt is natuurlijk de huidige Betuwelijn. De route
die deze spoorlijn momenteel volgt, is een zeer efficiënte, directe lijn richting
het Ruhrgebied. Deze route loopt over een relatief dunbevolkt deel van midden-Nederland.
Directe aanleiding hiervoor is misschien wel het feit dat de gehele route door het
polderlandschap loopt dat tussen de twee grote rivieren, de Rijn en de Waal, ligt.
Alleen in het stedelijk gebied Rotterdam, vlak voor hij die stad zelf bereikt, wijkt
hij hiervan af door bij Papendrecht de Waal, die dan de Merwede heet, over te steken.
Op dit traject komt hij tussen Rotterdam en Arnhem – Nijmegen, alleen de noemenswaardige
grote plaatsen Gorinchem en Tiel tegen.
Behalve de huidige Betuwelijn, zijn ook de
A15, die praktisch dezelfde route tussen Rotterdam en Arnhem – Nijmegen aflegt, en
de waterwegen Rijn, Waal en in mindere mate Maas van belang bij het vastleggen van
de locatie van onze super-as. Een as van dit kaliber en nationaal belang, zien we
niet als een simpele dikke strook van A naar B, maar meer als een multifunctionele
zone, waarin in de horizontale richting mobiliteit voorop staat, en haaks daarop
het aanhaken van economische functies. Wat die mobiliteit betreft, willen we zoveel
mogelijk openingen aanbieden. Dat betekent dat er naar meerdere manieren van vervoer
en transport moet worden gekeken. Met de Betuwelijn, de A15 en de waterwegen zijn
trein, bus, vrachtwagen en schip langs onze distributie-as vertegenwoordigd.
Langs
de super-as zal in de loop der tijd een gevarieerde, grootschalige verstedelijking
gaan plaatsvinden. In plaats van het maar zijn beloop te laten, vinden wij het belangrijk
dat we al vanaf het begin kunnen aansturen hoe dit eruit komt te zien. Om die reden
gaan we proberen een aantal primaire en secundaire ports aan te brengen langs onze
as. Om te beginnen de primaire ports. Vanzelfsprekend vormen kop en staart, dus de
Mainport Rotterdam en het stedelijk netwerk
Arnhem – Nijmegen, twee belangrijke ports
op de as. De functie van Rotterdam is inmiddels duidelijk, namelijk het opvangen
van scheepvaart met wereldwijde handel, en deze op grote schaal omzetten naar een
andere vorm van transport om verder gedistribueerd te worden. Voor de functie van
het stedelijk netwerk Arnhem – Nijmegen roepen we een nieuwe term in het leven, namelijk
de ‘Outport’. Deze naam refereert direct naar het feit dat de lading die vanuit Rotterdam
over de as vervoerd wordt, bij de Outport ons land verlaat, om vervolgens via het
Ruhrgebied verspreid te worden over Europa. Verder omhelst de functie van de Outport
het op kleine schaal opslaan, (her)verpakken en controleren van handelswaar, bedoeld
voor nationaal gebruik. Gezien de gunstige ligging aan de verticale as A50, en het
spoor richting zowel Groningen als Maastricht, wordt vanuit deze Outport op landelijk
niveau gedistribueerd, net als voor het westen van het land op kleine schaal in Rotterdam
zelf gebeurt.
De andere twee primaire ports, bevinden zich bij de eerder genoemde
‘koppelsteden van formaat’, te weten Tiel en Gorinchem. Behalve het feit dat snelweg
en spoor door deze steden van formaat in het verder vrij lege landschap komen, bevindt
zich bij deze steden ook nog eens een praktische afsplitsing van de waterwegen. Bij
Tiel splitst het Amsterdam-Rijnkanaal zich af van de Waal om zo een handige koppeling
te vormen tussen Rijn en Waal. Bij Gorinchem komen Maas en Waal samen om vervolgens
gezamenlijk verder te gaan richting Rotterdam, plus hier ontstaat een koppelstuk
in de vorm van het Merwedekanaal , dat Maas/Waal en Rijn met elkaar verbindt. De
ports die bij Tiel en Gorinchem gaan ontstaan, betitelen we als ‘Industrial Ports’.
Grote oppervlaktes van de nieuw te bouwen hectaren bedrijventerreinen zullen zich
hier ontwikkelen, waarna dit uiteindelijk twee geconcentreerde industriële gebieden
gaan vormen, waar op nationale schaal producten worden gemaakt en brandstof wordt
geraffineerd ten behoeve van de export. In tegenstelling tot de landbouwsector, kan
industrie op een veel compactere schaal worden uitgevoerd. Er is gekozen voor twee
Industrial ports in plaats van langgerekte verspreiding, om landschapsverval en milieuvervuiling
binnen de perken te houden, en de routes onderling binnen de industriesector zo compact
mogelijk. Bovendien kunnen de tussengebieden tussen de Industrial ports nu grote
oppervlakten voor de landbouwsector benutten, zonder door industriële functies onderbroken
te worden. Behalve in de Industrial ports, zal er op kleinere schaal ook nieuwe industrie
gevestigd worden in de Mainport Rotterdam en de Outport Arnhem – Nijmegen, die min
of meer hetzelfde karakter hebben.
De secundaire poorten, tussen de 4 primaire in,
vormen de zogenaamde Agri-ports. Dit zijn lichtbebouwde gebieden die de producten
uit land- en tuinbouw uit de omgeving concentreren op 1 plaats, om ze vervolgens
te verwerken. Het idee is dat agrariërs uit de grote diversiteit aan producten enkele
gewassen en vee kiezen, om deze vervolgens op grote lappen grond te telen en te houden.
Direct rondom de agri-ports neemt de intensivering hierin ook toe, evenals het aantal
kassen, om in het centrum van de ports de verwerking van gewassen en vee uit te voeren.
Zo ontstaan ter plaatse van de Agri-ports grote kassendorpen, met daarin centraal
de verwerkingsfabrieken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld vertical farms en pig city’s,
waar gewassen en vee in een geconcentreerd gebied of gebouw het traject aflegt van
plant of dier naar voedselproduct klaar voor de markt. De centrale Agri-ports liggen,
net als de Industrial ports, direct aan de super-as, waardoor de distributie van
deze producten zo in het systeem kan worden opgenomen.
De tussengebieden tussen de
ports worden dus uiteindelijk de wat uitgebreidere landerijen. We hebben eerder al
geconstateerd dat het gebied tussen Rijn en Waal redelijk dunbevolkt gebied is. De
rivierklei in dit gebied vormt veelal de ondergrond voor kleine dorpjes, waarin agricultuur,
soms samen met bijvoorbeeld steenfabrieken, meestal van groot belang is op de landschappelijke
en culturele waarde. Door in de tussengebieden tussen de ports de landerijen te plaatsen,
wordt het landschap en de cultuur van dit gebied tussen de rivieren niet volledig
opgeslokt door de verstedelijking. Het reizen van Rotterdam naar Arnhem – Nijmegen
en verder gebeurt niet in een kunstmatig landschap van industrie en hoogbouw. Er
zal voldoende landelijk karakter overblijven, terwijl dit deel wel degelijk intensief
bijdraagt aan de economische bevorderingen rondom de super-as.
We hebben dus goederen
die van west naar oost moeten. Daarnaast hebben we mensen en goederen die heen en
weer moeten tussen steden en ports. Om hier op in te spelen, willen we verschillende
spoortypen over onze as introduceren. Ten eerste is er de hogesnelheidslijn. Deze
loopt onder de grond van Rotterdam naar het Ruhrgebied, met enkel nog als tussenstop
Arnhem – Nijmegen. Deze lijn vormt de allersnelste verbinding tussen Rotterdam en
Europa. Producten op deze lijn mijden dus de Nederlandse markt, en gaan direct Europa
in. Voor producten met prioriteit, of bijvoorbeeld een beperkte houdbaarheidsdatum,
is dit een erg nuttige lijn. Ook producten die vanuit Duitsland op de lege wagons
terug naar Rotterdam kunnen, zoals producten uit Europa bedoelt voor export, of bijvoorbeeld
kolen voor centrales in West-Nederland, kunnen van deze lijn gebruik maken. De tweede
en derde lijn, zijn de goederenlijn en personenlijn die in alle ports stoppen. De
goederenlijn brengt en haalt alle grondstoffen en eindproducten die in de industriesector
en de landbouwsector gefabriceerd worden in de ports. De personenlijn vervoert mensen
van oost naar west en andersom, als doorstroom of bestemmingsverkeer om bijvoorbeeld
te kunnen werken in een port waar mensen niet direct bij in de buurt wonen. De openbare
weg is een veel trager mobiel netwerk, en dus geschikt voor het afleggen van lokale
afstanden, zoals bijvoorbeeld transport van landerijen naar de Agri-ports, of het
vervoer van mensen naar hun werk waar ze niet al te ver vandaan wonen. De waterroutes
lopen als alternatieve, langzamere lijn naar het Ruhrgebied. Zij zijn ondermeer geschikt
voor grootschalig transport dat bijvoorbeeld niet op treintoestellen past. Ter plaatse
van dichte verstedelijking rondom bijvoorbeeld een port, kunnen extra ringwegen aangelegd
worden. Dit dient echter per regio ingevuld te worden, indien nodig.
In de rest van
Nederland zijn nauwelijks aanpassingen aan de openbare mobiliteit nodig. De meeste
wegen zullen vanwege de herstructurering van economisch Nederland flink ontlast worden.
Belangrijk is dat alle steden, ook als ze verder van de super-as vandaan liggen,
ten alle tijden goed bereikbaar blijven. Regionaal kan er dus wel gekozen worden
voor verbeteringen aan de infrastructuur. Dit is allemaal echter van secundair belang
uit het oogpunt van de Nederlandse economie.
Op regionale schaal
De regio Arnhem –
Nijmegen ligt op een cruciale plaats als je kijkt naar het gewicht wat er op onze
priamire as Rotterdam – Ruhrgebied staat. Het KAN gebied is de laatste poort voor
deze as de grens over gaat en in handen valt van onze Duitse buurman. Eerder hebben
we al opgemerkt dat er gewaakt moet worden dat we geen grote delen van onze economie
overdragen aan Duitsland. Het KAN gebied levert hier wellicht een belangrijke bijdrage
aan.
Wat er in feite kan ontstaan, is dat wat we in het Ruhr willen gaan doen, op
kleinere schaal ook in Arnhem – Nijmegen kunnen gaan toepassen. Knooppunt Arnhem
– Nijmegen ligt op de overgang tussen onze primaire horizontale as, en een van de
belangrijkste verticale routes door Nederland. Na de kennisas A2, is de A50 die door
het KAN punt loopt van nationaal belang. Voor wat betreft de landelijke distributie
zou het KAN gebied dus het overgangsstation kunnen zijn wat het Ruhrgebied is op
Europees niveau. We hebben echter geconstateerd dat als we dat doen, we teveel werkgelegenheid
aan Rotterdam onttrekken, en dus willen we het landelijk niveau aan productdistributie
aan Rotterdam overlaten. Een tweede, nog belangrijker argument, is dat we het KAN
gebied dan enorm gaan verstedelijken, terwijl we juist pleiten voor behoud van identiteit
en geen grote stedelijke uitbreidingen.
De grootste verandering op regionaal niveau
zal vooral het tussengebied van knooppunt
Arnhem – Nijmegen betreffen. Dit tussengebied
loopt in het huidige systeem vast. Er wordt redelijk intensief landbouw bedreven,
en de distributie hiervan loopt zo gestaag, dat de plaatselijke veiling zich terug
heeft getrokken, en zich heeft hergevestigd in Ede. Dit geeft aan hoe groot het probleem
is. Dit probleem hangt direct aan het niet doortrekken van de A15. Deze moet er absoluut
komen, en dat gaat ook gebeuren. 2016 is het speerpunt op de kalender, en wellicht
gaat dit iets uitlopen, maar hij zal er komen. Vlak langs de betuwelijn, en vlak
onder de Rijn, maakt hij de primaire as
Rotterdam – Ruhrgebied compleet.
Vanwege de
versteviging van het nationale wegennetwerk, het aanleggen van de zogenaamde driehoekjes,
is een soepele aansluiting op het stedelijk netwerk Arnhem – Nijmegen noodzakelijk.
Vandaar dat wij ook pleiten voor een rondweg rondom dit stedelijk netwerk. Deze zal
in het noorden van Arnhem en in het westen van het stedelijk netwerk delen vervangen
of juist bevatten van de A12 en de A50. Onder Nijmegen zal deze opnieuw moeten worden
aangelegd. Hij loopt dan vervolgens onder Nijmegen door, snijd een klein stukje door
de Gelderse Poort, en beweegt zich langs de landsgrens omhoog. Vlak voor Millingen
aan de Rijn, waar de rivier de grens over gaat, steekt de ringweg dan de Rijn over,
om weer aan te sluiten op de A12.
Zoals gezegd, Nederland is economie. En economie
in ons geval is met name export. Met deze regionale ingrepen, maken we onze hoofdader
op drie niveaus van een waardig Europees niveau. Per autoweg, per spoor, en via het
water kunnen wij door de poort van Arnhem en Nijmegen heel Europa van goederen blijven
voorzien.